Hoe kinderen heilig in Sinterklaas kunnen geloven.

27 november 2014


Bij jonge kinderen loopt fantasie en werkelijkheid door elkaar heen. Alles is nog mogelijk en wat ze zien is echt.

Het schaamrood schiet naar je kaken wanneer je ziet dat je het inpakpapier in de woonkamer hebt laten liggen. In de schoen van je kind ligt een cadeautje verpakt in hetzelfde papier. Je kind kijkt bedenkelijk naar het pakpapier maar voor de kleine iets kan vragen zeg je: ‘Oh wat een domme pakpieten! Hebben ze hun pakpapier laten rondslingeren!’. Je kind lacht vrolijk mee: ‘Oh domme pakpiet!’ en rent snel naar zijn cadeautje. Wat gebeurt er in het hersenpannetje van je kind tijdens Sinterklaas?

Magisch denken
Voor een jong kind loopt fantasie en werkelijkheid nog door elkaar heen. Men spreekt ook wel van magisch denken. Het stadium van het magisch functioneren herkennen we vooral bij kinderen van
3 tot ongeveer 6 jaar. Dit stadium kan ook langer duren. Alles is nog mogelijk, net als in sprookjes. Ze maken geen onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid. Alleen wat ze zien is echt. Het meest bekende voorbeeld hiervan is de tv-uitzending waarin de juf zich voor de ogen van de klas verkleed als Sint. Op de vraag ‘Wie is dit?’ antwoordden de kinderen ‘Sinterklaas!’

Geen oorzaak en gevolg
Vaak is magisch denken of handelen verbonden met angst. Als je iets fout doet, heeft dat catastrofale gevolgen. Soms denken kinderen dat andere mensen ziek kunnen worden van hun lelijke gedachten. Mede daarom zijn sommige kinderen zo bang voor de Sint en zijn Pieten. In hun belevingswereld weet de Sint alles wat ze doen én denken, dus ook hun “stoute gedachten”. De peuter is in deze fase nog niet in staat om logisch te denken. Oorzaak en gevolg zeggen hem nog niks. Ook eigenen kinderen in de magische fase aan levenloze objecten, gevoelens en eigenschappen toe. Als een bord valt, is het een stout bord.

Magische verklaringen
Dit magisch denken en het gebrek aan besef van oorzaak en gevolg, verklaart veel gedrag van je peuter tijdens Sinterklaas. Voor alle gebeurtenissen die niet lijken te stroken met de mythe van Sinterklaas, heeft de kleine wel een eigen verklaring. Je laat bijvoorbeeld per ongeluk een hoed van Zwarte Piet in huis slingeren. Vervolgens schrijft je kind een brief aan de Piet dat hij zijn hoed is vergeten, stopt de hoed in zijn schoen en hoopt dat hij beloond wordt met een cadeautje. Als een kind nog in het stadium van magisch functioneren zit, maakt het vaak niet veel uit of je vertelt dat Sinterklaas niet bestaat. Zodra hij de Sint weer ziet, zal hij gelijk weer geloven.

Twijfel
Het magisch denken van een kind stopt niet van de één op andere dag. Dit is een geleidelijk proces. En bij het ene kind gaat dit proces sneller en eenvoudiger dan bij het andere kind. Als kinderen weten dat Sinterklaas niet bestaat, stellen ze vaak de vraag: “Denk je dat Sinterklaas boos op me is dat ik niet meer in hem geloof?” Deze vraag is zeer typerend voor het overgangsproces. Ze weten dat de Sint niet bestaat, maar het beseffen doen ze nog niet helemaal. Als bij een kind eenmaal het besef is doorgedrongen dat niet alles leeft en invloed uitoefent, dan is er geen weg meer terug. Dan kan je een kind niet meer wijsmaken dat iets toch nog magische invloed heeft, zoals je dan ook niet meer kan beweren dat Sinterklaas ‘écht’ bestaat.

Dan hoeft Sint het niet meer te doen
Sommige kinderen weigeren te geloven dat Sinterklaas een verzinsel is. Ze kunnen de logische (rationele) argumenten van anderen niet inpassen in hun magische wereldbeeld. Zo kan een kind dat “weet” dat de Sint niet bestaat, bijvoorbeeld extra ijverig aan zijn surprise werken. Dan hoeft Sinterklaas het niet meer te doen. Hoe belangrijker het geloof in de Sint voor je kind is, hoe krachtiger hij de bewijzen zal verwerpen die aantonen dat ouders het fout hebben. We spreken dan van cognitieve dissonantie. Met cognitieve dissonantie wordt het onaangename gevoel bedoeld van spanning of frustratie dat ontstaat als mensen worden confronteerd met informatie die hun basisaannames weerspreekt.

Cognitieve dissonantie
Ook volwassenen hebben dagelijks te maken met cognitieve dissonantie. Je hersenen zijn voortdurend op zoek naar bevestiging van wat je gelooft, en maakt dat je informatie die hiermee tegenstrijdig is verzacht of naast je neerlegt. Maar het ongemakkelijke gevoel van cognitieve dissonantie kan ook een drijvende kracht zijn om nieuwe denkbeelden te ontwikkelen. Zo zal een kind dat stug in de Sint blijft geloven, mede door dit ongemakkelijke gevoel uiteindelijk zijn geloof in de Sint loslaten.

Auteur: Rachel van de Pol
Bronnen: Psychology Today, InfoNu.nl, The Whitman Institute