Peuters met zelfbeheersing blijken later in het leven succesvoller

20 december 2012

Op 3 november 2012 stond in de Volkskrant het artikel: ‘Wie zich inhoudt krijgt een beter leven’.

Twee Britse hoogleraren adviseren om de vaardigheid ‘zelfbeheersing’ te vergroten bij peuters. 

Jonge kinderen hebben duidelijke grenzen nodig voor wat mag en niet mag. Kinderen weten dan dat ze zich binnen die grenzen vrij kunnen bewegen. Maar om gevoelens op een acceptabele manier te uiten en om hun gedrag te sturen, zijn baby’s en dreumesen nog grotendeels aangewezen op hun opvoeders. Ze kunnen zichzelf nog niet reguleren of sturen. Als ze bijvoorbeeld iets zien dat hun aandacht trekt, willen ze het pakken. Ook als een ander kind ermee speelt. Ze kunnen hun eigen gedrag nog slecht stoppen. Ze hebben hun ouders of de pedagogisch medewerker op het kindercentrum nodig die ‘nee’ zegt en hun aandacht positief op iets anders richt.
Het leren van zelfregulering en zelfcontrole gaat voor een groot deel door imitatie van de opvoeders. Op hoofdlijnen vindt dit volgens de volgende ontwikkeling plaats: aanvankelijk reguleert de opvoeder het gedrag van het kind door ‘nee’ te zeggen, alternatieven aan te bieden, rituelen te gebruiken, te vertellen wat het kind wel moet doen, af te leiden en te troosten. Dan neemt het kind stukjes van het gedrag van de opvoeder over. Als iets niet mag, zegt het kind hardop ‘nee’ tegen zichzelf. Het kind praat tegen zichzelf. Het kind leidt zichzelf af door het hoofd af te wenden om de verleiding van een lekker snoepje te weerstaan. Bij een conflict over speelgoed stellen ze ‘om de beurt’ voor. Ze omklemmen hun beer voor troost zoals ze zelf hun ouder zouden omklemmen om troost te vinden.
Ten slotte verinnerlijkt het kind de gedragsregels. Een aantal regels, gewoontes, en rituelen worden automatismen. Het kind gaat van binnen denken in plaats van hardop te zeggen wat mag en niet mag.

Vanaf het moment dat kinderen gaan lopen en meer bewegingsvrijheid krijgen, moeten ze leren om zich aan bepaalde regels te houden. Voor hun veiligheid en de veiligheid van hun omgeving. Het stoppen van het eigen gedrag is voor jonge kinderen erg moeilijk. Het is gemakkelijker om hun gedrag om te buigen door op iets anders te richten. Daarom is het goed om niet te veel nee- regels te hebben. ‘Nee’ wordt bij voorkeur alleen gebruikt bij gevaar. Bij de regels die gelden is het belangrijk om eenvoudige taal te gebruiken en steeds dezelfde formuleringen te gebruiken.
voorbeelden van nee- regels:
- elkaar geen pijn doen
- geen dingen kapot maken
- niet doen, gevaarlijk (gekoppeld aan bepaalde plaatsen)
voorbeelden van positieve regels:
- om de beurt
- we helpen elkaar
- weer vrienden maken (na een conflict)
- ga maar fijn iets anders doen (als een ander kind iets anders wil) 

Vanaf de peuterleeftijd is het vooral belangrijk het goede voorbeeld te geven. Kinderen leren veel door imitatie.
Als ouders en pedagogisch medewerkers voorspelbaar zijn in hun gedrag scheppen ze een veilige omgeving waarin kinderen zichzelf kunnen zijn. In deze veilige omgeving durven ze positieve en negatieve gevoelens te uiten. Het benoemen van hun gevoelens en oplossingen bieden geeft hen handvaten bij het ontwikkelen van zelfbeheersing.